Zilversmid Pieter Rienstra

Zilversmid Pieter Rienstra

Uit het archiefmateriaal uit het begin van de 19de eeuw blijkt dat het hoekpand in 1815 eigendom is van de zilversmid Petrus Rienstra.

Hij is de zoon van de Sneker zilversmid Jan Rienstra.
Evenals zijn vader had hij een flink bedrijf. Zijn werk ontstond tussen 1798, het jaar waarin hij de meesterproef aflegde, en het jaar 1844, toen hij zijn bedrijf beëindigde.

Grootste productie van Sneek
Uit het register van de keurkamer Sneek blijkt bijvoorbeeld dat hij 1809 van de twaalf in Sneek gevestigde zilversmeden de grootste productie had. Tot de werken die hij toen ter keuring aanbood behoorden maar liefst 804 oorijzers, maar onder andere ook vier zweepbeslagen en drie scheerbouten, die wel als prijzen voor harddraverijen en zeilwedstrijden gediend zullen hebben. Uit de stedelijke administratie van Sneek blijkt dat hij in 1809 één van de zwepen aan het stadsbestuur leverde voor ƒ 113,–.

Het buurpand
De zaken gingen Petrus Rienstra blijkbaar zo goed dat hij 1819 overging tot aankoop van het aangrenzende pand aan de Gedempte Poortezijlen, het huis dat vóór 1690 als achterhuis al bij het hoekhuis had gehoord.

Omstreeks 1700 was het huis aan de Potterzijlen eigendom van de stadsbode Petrus Zijlstra, die het verhuurde aan Jan Balkhout, ‘turfdrager en opsigter bij het vallaat bij en aan de Potterzijl.
In de loop van de 18de eeuw kwam het huisje in bezit van Janneke Siccama, weduwe van de dominee van Lekkum, Martinus Swarte. Ze verkocht het in 1747 voor 228 goudguldens en 7 stuivers (een goudgulden telde 28 stuivers).
Koper van de ‘Huisinge met zijn erff en geregtigheit Cum Annexis, staande einde gelegen tussen de Zijlen’ werd Wybe Wouters, lid van het bekende Doopsgezinde koopmansgeslacht dat in de 18de eeuw in Sneek tot grote rijkdom kwam.
Het huisje werd verhuurd aan Dirk Alberts, waarover in 1748 in een belastingkohier wordt opgemerkt: ‘Windt de kost en niet meer’.
Twee ongehuwde kinderen van Wybe Wouters, namelijk Martje en Dirk erfden het huisje en na de dood van de langstlevende, Martje Wybes Wouters, in 1806 zullen haar erfgenamen het hebben verkocht aan Haring Wiersma, wiens weduwe het in 1816 overdroeg aan de zilversmid Petrus Rienstra, die zo de gelegenheid kreeg zijn zaak uit te breiden.

Verbouwing in 1818
Bij de restauratiewerkzaamheden van 1986 kwamen in het achterste deel van Kleinzand 1 weggetimmerde balken tevoorschijn en daarop stonden in krijt aantekeningen, die de zoon van Petrus Rienstra gemaakt moet hebben: ‘1818 De 30 July deze Balk geleid’, ‘J.P. Rienstra 1818 dito’ en ‘Jan Rienstra 1818’. Hieruit blijkt wel duidelijk dat de verbouwing in 1818 heeft plaatsgevonden.

Het is zeer waarschijnlijk dat toen ook de voorgevel is vernieuwd. Deze behield wel de toen reeds ouderwetse trapvormige bekroning, maar de pui werd gewijzigd: de vensters kregen een roedeverdeling met ruitjes van vrij grote maat, groter dan in de vensters op de verdieping. Ook kwam er een deurpartij in de Empire-stijl van het begin van de 19de eeuw. Bij de vernieuwing van de dubbele deuren is de gesneden lijst met eikenloof herplaatst.

Het lijkt waarschijnlijk dat in 1818 boven de deur van het glasvenster een gesneden bovenlicht was geplaatst.

De verbouwing op de hoek van het Kleinzand en de vereniging met het pandje aan de Poortezijlen zullen meegebracht hebben dat de mogelijk nog bestaan hebbende eenheid in het metselwerk werd verstoord. Toch geloven wij niet dat toen de pleisterlaag reeds werd aangebracht; die moet uit het einde van de 19de eeuw dateren.

Petrus Rienstra woonde met zijn vrouw Ynskje Schotanus voor; achter was de werkplaats en die werd nog voor 1830 uitgebreid met een daarachter gelegen geheel inpandig bouwwerk achter Kleinzand 3 en 5. Daarbij lag ook een bleek. In 1855 overleed Petrus Rienstra, zijn vrouw Ynskje Schotanus stierf in 1864.