Verkoop van De Hollandse Kelder

 

Verkoop van De Hollandse Kelder

Heel aardig is dat in de verkoopakte de oorspronkelijke naam van het huis vermeld wordt.

Er is namelijk sprake van ‘seeckere huisinge, staende aen de noordkant vant Kleinsant, de Hollandse Kelder genaemt’. Die naam is niet toevallig.

In het hoofd van de akte, die op 18 maart 1689 werd opgemaakt, staat als naam van de verkoopster die van Welmoed Dirx, die optrad voor haar kinderen Dirk Pieters en Trijntje Pieters uit het huwelijk met wijlen Pieter Jansen Hollander. Uit het vervolg van de akte blijkt dat de partij van verkopers een groot aantal leden van de familie Hollander omvatte. Enig genealogisch speurwerk leverde het gegeven op dat zij allen kinderen, kleinkinderen of voogden over kleinkinderen waren van Folkert Pieters Hollander en Sara Clases.

Dit echtpaar Folkert Pieters Hollander en Sara Clases bewoonde het huis op de hoek van het Kleinzand en de Poortezijlen echter niét.
Uit andere bronnen weten we dat het in het midden van de 17de eeuw, er schuin tegenover woonde, in het huidige museumpand, Kleinzand 12.

Het lijkt niet onmogelijk dat Kleinzand 1 wel het oude familiehuis was van het koopmansgeslacht Hollander, maar dat het – nadat het in de 17de eeuw te weinig woongerief meer bood – verlaten werd en dat de familie Hollander het na verloop van enige tijd wilde verkopen.

Omdat onder de eigenaren enige minderjarige kinderen waren, werd het stadsbestuur bij de verkoop betrokken. Een commissie uit de magistraat, bestaande uit burgemeester Willem de Graaf en schepen Wybrandus Meppel, bracht verslag uit en stemde er mee in dat het huis ‘welcke grote reparatien van noden hadde, waaromme de gesamentlijke eigenaeren resolveerden deselve op te hangen en bij strijkgelt te verkopen, overdenckende dat het verkopen haer profitabelder was als de selve in eigendom te behouden’.

Het huis De Hollandse Kelder op de hoek van het Kleinzand en de Poortezijlen was in 1689 vervallen en werd door paupers werd bewoond; de reparatie zou veel geld moeten kosten. Toch werd het in de koopakte omschreven als ‘seeckere grote ende wel ter neringe staande huisinge met twee kelders ende achterhuis’.

De erfgenamen van Folkert Pieters Hollander verhuurden het pand in twee gedeelten.
De stoeldraaier Taeke Pijpers gebruikte ‘de halve winckel, de achtercamer en het backhuis’, terwijl Yesel Hessels een ‘halve winckel, voorkamer ende opkamer’ huurde. Vermoedelijk is het ‘backhuis’ een op de straat uitgebouwd pothuis geweest, zoals dat nu nog bij het tegenoverliggende pand aan de Suupmarkt is te zien.

Met toestemming van de magistraat verkocht de familie Hollander het huis op een provisionele veiling op 21 februari 1689 aan Wouter Steinvoorden voor 550 goudguldens van 28 stuivers. Deze strijkgeldschrijver en aangetrouwd familielid van de Hollanders bleef niet aan het huis hangen; bij de finale verkoping op 18 maart 1689 verhoogde Claes Reijns het bod met 20 goudguldens en werd zo eigenaar van het pand voor 570 goudguldens.