Carillon in beslag genomen

Carillon in beslag genomen

Voor de Duitse oorlogsindustrie waren grote hoeveelheden metaal nodig. Veel van dat metaal was afkomstig uit de bezette gebieden.

De inwoners van Nederland moesten hun koper, nikkel en tin inleveren. Het muntgeld werd vervangen door door zinken munten.

In 1943 vorderde de Duitse bezetter zelfs de kerkklokken op. Bijna alle kerkklokken en luidklokken werden uit hun torens gehaald om te worden omgesmolten.

In het voorjaar van 1943 werden eerst de klokken uit de Waterpoort en het stadhuis van Sneek naar beneden gehaald. Ze verhuisden naar de torens van de hervormde kerken van respectievelijk Sleen en Borger. Na de oorlog zijn ze daar terug gevonden.

In het najaar van 1943 volgden de klokken van het carillon. Op 6 september 1943 gaf beiaardier Flucie van Bergen de laatste bespeling met Pake syn klok, het Wilhelmus en Ases Tod van Edward Grieg.
Op 8 en 9 september 1943 werd het uit 25 klokken bestaande carillon uit de toren van de Martinikerk gehaald.
Ook het hek van de Joodse synagoge aan de Wijde Burgstraat werd weggehaald. Deze klokken en het hek zijn voorgoed verdwenen.


Actie voor nieuw carillon

Na de oorlog werd een actie op touw gezet met als doel opnieuw een klokkenspel in de lege koepel van de kerk te krijgen. De actie werd georganiseerd door de VVV en financieel gesteund door het Old Burger Weeshuis, die het de stad als bevrijdingsgeschenk aanbood.
Op de avond van 4 mei 1949, tijdens de Dodenherdenking, werd het nieuwe klokkenspel voor het eerst bespeeld door de Sneker beiaardier Flucie van Bergen. Hij speelde Ases Tod van Grieg, dat hij als laatste op het verdwenen carillon tgen gehore had gebracht.
Op bevrijdingsdag 5 mei 1949 werd het nieuwe carillon feestelijk in gebruik genomen met een concert door de Rotterdamse stadsbeiaardier Ferdinand Timmermans.