Verdediging van Sneek.

Verdediging van Sneek.

In Friesland verschenen zo omstreeks 1300 de eerste signalen van stedelijke vestingwerken. Bewoners van grote plaatsen als Leeuwarden, Bolsward en Sneek worden in documenten uit die tijd aangeduid als “poorters” dus als mensen die binnen de poorten van een stad woonden. Waarschijnlijk waren deze poorten toen nog geen imposante bouwwerken. Veel meer dan een verstevigde ophaalbrug over de stadsgracht zullen deze poorten niet geweest zijn.

Noorderpoort 1722 door Stellingwerf

Het prototype van een dergelijke niet verder ontwikkelde stedelijke structuur is het vlakbij Sneek gelegen IJlst waar de enige verdediging bestaat uit een rond het langgerekte stedeke gegraven gracht. Waarschijnlijk had ook het Middeleeuwse Sneek een dergelijke eenvoudige defensieve opzet. Om hier enige voorstelling van te maken moeten we bedenken dat het stadshart in de Middeleeuwen kleiner was dan het Sneek zoals het op de bekende 17e eeuwse plattegronden staat afgebeeld.

Aan de west- en noordzijde brengen deze vogelvluchtkaarten de oude situatie in beeld, maar aan de zuid en oostkant laten ze de 15/16e eeuwse stadsuitbreidingen zien. Het middeleeuwse Sneek echter was ongeveer de helft kleiner en werd aan de zuid- en oostkant begrensd door een gracht die langs Hoogend, Singel, Poortezijlen en Pol liep.

Deze gracht werd ter hoogte van de Oosterdijk doorsneden door een dijk. Dit was de Hemdijk die in de 11e eeuw aangelegd was als waterkering tegen de Middelzee, maar die, toen deze zee al lang op zijn retour was nog een belangrijke rol bleef spelen bij het beheersen van de waterstanden om de stad. Om die reden was hier op deze plaats waar gracht en zeedijk elkaar kruisten een waterstaatkundig werk nodig namelijk een dubbele sluis of op zijn Fries een stel ‘zijlen’. Een echte stadspoort zal hier niet geweest zijn, hooguit een ophaalbrug met iets van een doorgang. Na deze hindernis sloot de stadsgracht aan bij de nog bestaande gracht aan de noordkant van Sneek. Meer naar het Westen sneden Hemdijk en gracht elkaar opnieuw en hier bevond zich een tweede ophaalbrug die de stad met het omliggende land verbond. Gezien het vooral waterstaatkundige belang moet aan deze oude stadsgracht niet een grote defensieve bedoeling worden toegekend.

Dat de stad voorzien was van verdere verdedigingswerken lijkt dan ook niet waarschijnlijk.Dit veranderde in de vijftiende eeuw. Tot die tijd hadden de Friezen voornamelijk te maken gehad met “buitenlandse” indringers zoals de graven van Holland, die hier soms tijdelijk een poot aan de grond kregen. In de 15e eeuw werd Friesland echter verscheurd door wat we nu burgeroorlogen zouden noemen. De strijd ging tussen adellijke heren, kloosters en steden. Met de benamingen Schieringers en Vetkopers werden de partijen onderscheiden. Economische motieven speelden ongetwijfeld een grote rol. Met de rust en veiligheid was het gedaan. In deze tijd werden in Friesland de stedelijke vestingwerken aangelegd nadat de Friese adel de steden hierin was voorgegaan.

Ook binnen Sneek bevonden zich versterkte stenen huizen zoals de Gruytersmastins, Waltastins, Kronenburg en Frittemahuis. Omstreeks 1490 werd een begin gemaakt met de stedelijke verdedigingswerken. Aan de noord- en oostkant van de stad werd een geheel nieuwe gracht gegraven die de bebouwing langs de Oosterdijk en aan de overzijde van het Hoogend en het daartussen gelegen gebied binnen de grachten moest brengen. Om dit gebied beter te beveiligen werd van de gelegenheid gebruik gemaakt om met de grond die vrij kwam bij het graven van de gracht een bolwerk te maken.

De oude smalle middeleeuwse grachten gingen nu als binnengrachtjes achter de bolwerken verder door het leven. In Sneek werden ze aangeduid als “haventsjes”. Het nieuwe bolwerk was in feite een aarden wal die vooral beschutting moest bieden tegen de nieuwste militaire uitvinding: het kanon, dat een vervolg was op de uitvinding van het buskruit. Deze kanonnen of “bussen” kwamen in Friesland in de jaren ’80 van de 15e eeuw in gebruik. Volgens de overlevering veroverden de Snekers in 1487 een dergelijke “grote busse’ op de Leeuwarders. Met dergelijk primitief schiettuig was het heel goed mogelijk om gebouwen aan puin te schieten. Waar de nieuwe gracht met bolwerk de oude Hemdijk sneed verrees in 1490 de Oosterpoort.

Enige jaren later kwam de vrijwel identieke Noorderpoort tot stand. De noordoostkant van de stad was namelijk de plaats waar vandaan de Snekers – gezien de slechte relaties met Leeuwarden en Groningen in die tijd – het grootste onheil verwachtten. Om aan de benodigde fondsen te komen werden de burgers belast met een “Honderdste penning”. Met deze gelden zullen in het begin van de zestiende eeuw de bolwerken rond de stad zijn voltooid. In 1522 werd Friesland door de keizer ingelijfd. Dit zorgde ondanks de conflicten die er in deze tijd over de godsdienst in het keizerrijk rezen voor een betrekkelijke rust in het Friese land. Tijdens de regering van keizer Karel V kregen de Snekers gelegenheid om aan een betere verdediging van hun stad te werken, waarvoor zij van de keizer werden vrijgesteld van belasting.

Deze verbeterde verdediging bestond uit de aanleg van een “dikke stenen muur” rond de gehele stad. Het argument voor deze dure aanleg was dat de Sneker bodemgesteldheid – een dun laagje klei op een dikke laag veen – eigenlijk niet geschikt was voor een gewoon bolwerk. De aanleg van een muur op een fundering van palen was echter wel mogelijk. Voor Friesland was een dergelijke geheel gesloten ommuring een bijzonderheid.De stadsmuur werd uit grote rode moppen opgetrokken die hier ter plekke gebakken werden. Hoewel er geen gedetailleerde tekeningen van de muur zijn die dit gegeven kunnen bevestigen, moet hij hier en daar van kantelen voorzien zijn geweest, in elk geval bij de torens. De muur die blijkens opgegraven fragmenten ongeveer 70 centimeter dik was, werd onderbroken door een stuk of vijftien torens, twee landpoorten en vijf waterpoorten. De landpoorten bestonden uit een doorgang met aan beide zijden een toren. Ze werden aan de landzijde afgeschermd door schansen. De waterpoorten die op zijn Fries ‘pijpen’ heetten, bestonden uit niet veel meer dan een stenen boog met een doorvaart.

Om te voorkomen dat Jan en alleman naar binnen kon varen werden ze door palen en kettingen afsluitbaar gemaakt. Op twee plaatsen, namelijk op het meest noordelijke en het meest zuidelijke punt, werden de rechte muren onderbroken door een rondeel: een ronde uitbouw van de muur met strategische bedoelingen. In deze vorm was de ommuring af. Toch is er in de volgende eeuwen nog wel aan de ommuring gewerkt. Zo werd in 1618 een van de pijpen vervangen door een veel uitbundiger exemplaar. Het werd een architectonisch pronkstukje in renaissance stijl. Er is daarom ook wel gezegd dat deze waterpoort, die later het beeldmerk van Sneek werd, meer een representatief dan een defensief doel had. De bouw van deze waterpoort kan daarom worden beschouwd als het sluitstuk van de Sneker vestingbouw.

De grote interesse in vestingwerken zou bij het grote publiek spoedig wegebben. Al in de 16e eeuw namen de Sneker inwoners het, gezien de vaak herhaalde waarschuwingen van het stadsbestuur om de bolwerken te ontzien, niet altijd even serieus. Legio zijn de resoluties (besluiten van het stadsbestuur) tegen het laten grazen van beesten, het storten van vuilnis en het aanwenden van de bolwerken als werkterrein. In de eerste decennia van de 18e eeuw ontbrak het vaak aan middelen en goede wil om de in verval rakende muren op te knappen en in 1713 werd besloten tot afbraak van de slechtste muurgedeelten. In 1720 ging men over tot afbraak van de meeste muren en torens. De bolwerken werden beplant met bomen en vormden voortaan fraaie lanen. Een aantal torens bleef voorlopig als opslagplaats van bijvoorbeeld wapentuig staan evenals de land- en waterpoorten die in functie bleven om ’s nachts ongewenst bezoek buiten te sluiten. Hun aanwezigheid werd toen nog zozeer op prijs gesteld dat de Oosterpoort en de Hoogendster pijp in het midden van de 18e eeuw tegen niet geringe kosten werden verfraaid met in die tijd in Sneek erg populaire koepels met uurwerken.

In 1825 werden de poorten ’s nachts echter niet meer gesloten. Sloop was nu nog slechts een kwestie van tijd. In de jaren ’40 werden de eerste straatwegen in Friesland aangelegd. Nog voor de wegen in gebruik waren vielen de eerste ‘slachtoffers’. De weg naar Leeuwarden noopte in 1842 tot de sloop van de Oosterpoort en de aanleg van de weg naar Bolsward was een jaar later een reden om ook de Noorderpoort te slopen. Kort daarvoor waren ook de laatste torens gesloopt. In 1866 sneuvelde ook de Leeuwarder pijp zodat alleen nog de waterpoort en de weelderig beplante bolwerken de herinnering aan de vroegere vesting levend hielden. In de 19e eeuw kwam er behoefte aan stadsparken en daarvoor werd deels een plaats gevonden op de oude bolwerken. Op het noordelijke bolwerk werd door de vooraanstaande tuinarchitect L. Roodbaard een park ontworpen. Toen hier omstreeks 1900 een tramlijn en een kade werden aangelegd was daar nog slechts een schamel stukje van over.

De bolwerken in Sneek zijn echter vooral verdwenen met het oog op de scheepvaart. De moderne scheepvaart wilde stenen kaden voor gemakkelijk en snel laden en lossen. Aan die wens is in Sneek op ruime schaal tegemoet gekomen. Tussen 1880 en 1915 verdween eerst aan de zuid- en westkant en het laatst aan de noordkant de groene zoom tussen de oude binnenstad en de nieuwe stadsuitbreidingen. Zodoende resten nu van de Sneker vesting de grachtengordel, stukjes bolwerk en zegge en schrijve één poort. Er zijn wel eens plannen geweest om een stuk muur of een poort te reconstrueren, maar hier is het bij gebleven.