Ontstaan en groei van Sneek

Sneek is vanouds een uitgesproken waterstad. Dat blijkt onder meer uit de naam van de stad, die oorspronkelijk Ter Snake luidde, wat ‘op de landtong’ betekent. Die landtong van Ter Snake lag in de voormalige Middelzee. De stad is in de Middeleeuwen ontstaan rond de kerkterp van Sint Maarten. Een precieze datering voor het ontstaan van Sneek is niet bekend. Wel weten we dat de stad in de elfde eeuw al bestond. De terp waaromheen Sneek is ontstaan met daarop de vele malen uitgebreide en inmiddels Hervormde Martinikerk, bevindt zich overigens nog steeds in het hart van de stad.

Schilderij van Jan Abrahams Beerstraten (1622-1666).

Ten noorden van de stad lagen vruchtbare kleigronden, afgezet langs de oevers van de (voormalige) Middelzee. Aan de zuidkant strekte zich een onafzienbare moerasvlakte uit met talloze plassen, poelen en meren. Aan de verkavelingspatronen in het land is nu nog te zien dat de landschappen ten noorden en ten zuiden van Sneek van elkaar verschilden. In het noorden liggen grillige percelen als puzzelstukjes tegen elkaar aangeschoven. Aan de zuidkant liggen daarentegen, evenwijdig aan elkaar, langgerekte, rechte stukken ontgonnen land. De vruchtbare kleigronden in het noorden werden door de Hemdijk beschermd tegen het water uit het zuiden. Deze barrière loopt nu dwars door de stad en is terug te vinden in het stratenpatroon. De dijk liep langs de Oosterdijk, Wijde Burgstraat, Nauwe Burgstraat, Peperstraat, Marktstraat, Nauwe Noorderhorne, Wijde Noorderhorne en Oude Dijk.

Terwille van het waterverkeer werden in deze dijk verschillende zijlen en sluizen gemaakt. De Neltjeszijl ontwikkelde zich tot de belangrijkste passage. Op deze plaats staat nu  aan het Schaapmarktplein  een winkeltje in rookartikelen. Rond deze sluis, die ook nog eens heel erg dicht bij de kerkterp lag, ontstond een handelsnederzetting. Van hieruit groeide het kerkdorp Sneek uit tot een handelscentrum voor de regio.

Langzamerhand verwierf de plaats diverse stadsrechten, die in 1456 officieel werden vastgelegd. De ‘gouden eeuw’ van Sneek was de periode 1450 tot 1550. Het Sneek van die dagen was een fraaie handelsstad met grachten, wallen en muren. Binnen die muren lagen de stinzen van de verschillende Friese edellieden en langs de grachten verrezen de huizen van rijke kooplieden. In de 18e eeuw ging veel van de monumentale bouwkunst van Sneek verloren. De welvaart van die jaren eiste zijn tol en veel oude panden werden vervangen door “nieuwbouw”. Uit deze tijd zijn veel gevels bewaard gebleven, bijvoorbeeld langs het Kleinzand.

Hoewel veel grachten en grachtjes in het oude stadshart zijn gedempt of overkluisd, is de grachtengordel die Sneek in de late middeleeuwen moest beschermen tegen indringers, nog helemaal aanwezig. Langs de Kerkgracht is zelfs nog een klein stukje van het oude bolwerk te zien. Verder valt van de vestingwerken natuurlijk nog de bekende Sneker Waterpoort te bewonderen. De oorsprong van deze poort ligt rond 1492, het jaar waarin de Snekers een begin maakten met de aanleg van de grachtengordel en het opwerpen van een aarden wal rond de stad.

Over de wateren waarlangs schepen de stad konden binnenkomen, werden stenen pijpen gemaakt. De Hoogendster Pijp kreeg in 1613 een fraaie bovenbouw; deze Waterpoort groeide uit tot het beeldmerk van Sneek. Tot het eind van de negentiende eeuw werd de stad binnen de stadsgrachten steeds voller gebouwd. Daarna verrezen aan de overzijden van de stadsgrachten de eerste woningen en vervolgens werden in een steeds sneller tempo de verschillende wijken aangelegd.

Zo groeide Sneek buiten de stadsgrachten uit met de woonwijken Sperkhem, Noordoosthoek, Noorderhoek, Stationsbuurt, Eiland, Lemmerweg-oost, Lemmerweg-west, Stadsfenne, Domp, Malta, Tinga, Duinterpen, Hemdijk, Zwette, Brekken, Pasveer en De Loten. Daarnaast werden de bedrijventerreinen Houkesloot, De Hemmen en ’t Ges aangelegd.