Het choleratrapke bij de algemene begraafplaats

De Algemene Begraafplaats werd in 1827 in gebruuk nomen. Dat was een bitsie eerder dan de bedoeling was. Oorsaak: een freselijke epidemie, die het gefolg was van een groate overstroming. Het choleratrapke bij de algemene begraafplaats herinnert aan dizze ramp.

We gaan terug naar het jaar 1825. In de nacht van 3 op 4 februari wurdt Nederland troffen deur een watersnoodramp. Noordwesterstorm en springtij drieve het seewater op tot ongekende hoogten. Tussen Harlingen en Lemmer wurde waterstanden fan 2.40 tot 3.08 boven normaal noteard. De seekeringen houwe het niet meer en het soute seewater stroomt de polders binnen. Bijna heel Friesland komt onder water te staan.

De hoogste plekken in Sneek, op en om de terp wêr de Martinikerk op staat, blieve droog. Terwijl hagel en onweersbuien neerstrieme, wurde in Sneek 127 gesinnen uut onderstroomde delen fan de stad bij anderen onderbracht. In de Martinikerk wurde koeien en ander fee stald. Het stadsbstuur siet selfs kaans skippen naar Oppenhuizen en Uitwellingerga te sturen, sudat 400 stuks fee uut dizze dorpen in de stad in feiligheid bracht wurde ken.

Op 6 februari was de storm gaan leggen. De meensen die op terp fan Sneek omheukerden, sagen dat se op een eiland stonden in een onafzienbare watervlakte, Het water in de stadsgrachten stond hoger dan ooit. Het suu tot half april duure foordat de landerijen om de stad heen droogfallen waren.

Het water had een enorme skade aanrichten. Duuzenden stuks fee doad, de groan bedurven deur het soute water en de eerstkomende jaren niet geskikt foor landbouw. Honderden meensen ferfielen tot de bedelstaf, de hele ekonomie stortte in mekaar. Maar het ergste moest nog komme: der braken besmettelijke siekten uut die honderden doden maakten. Feul meer doden dan dat er bij de watersnoadramp self fallen waren.

In de somer fan 1826 stonken de landerijen naar rottend gras, dat deur het seewater doad gaan was. Het water in sloaten, sloatsjes en grachten was bedurven deur de dooie fissen (die niet tegen sout water konden) en ferdronken beesten die der in omdreven. Skoan drinkwater en eten was bijna nerges te fienen.

De somer was ok nog es ongewoan heet. De meensen waren ferswakt deur honger en armoede. Siekten konden niet uutblieve. Besmettelijke siekten woedden in de hele Zuidwesthoek, maar vooral in Sneek was het erg. In het begin fan 1826 had Sneek 6379 inwoners. Tussen 1814 en 1844 stierven der in de stad per jaar gemiddeld 183 meensen, in 1826 waren dat er 545! Bijna een twaalfde deel. Omrekend naar nou: 30.000 (ongefeer) gedeeld deur 12 = 2.500!

Het stadsbestuur trof maatregelen en maakte hoge kosten om de gevolgen fan de siekte en het opnieuw uutbreken derfan te foorkommen.

Eén fan die maatregelen was in 1826 het ferbieden fan begraven op het kerkhof om de Martinikerk hene. Der moesten sufeul overledenen begraven wurde, dat der hast geen plekje meer te fienen was en der nauwelijks nog aarde over de graven leid wurde kon. At je in de buurt fan de kerk kwamen, konden je het ruuke: het stonk! En omdat se in die tied dachten dat besmettingen fia de lucht overbracht werden, werd in 1827 werd het (Oud) Kerkhof sluuten. Su kon het geen besmettingshaard meer weze.

Aan de Korte Vreugde werd in ijltempo een nieuwe begraafplaats aanleid. Sneek was dêrmet een fan de eerste gemeenten in Nederland die dat deed. Op 28 augustus 1827 kregen alle groatere gemeenten fan Koning Willem I befel om buuten de bebouwde kom een begraafplaats in te richten, maar de meeste gemeenten hikten tegen de kosten aan en stelden het sufeul mogelijk uut.

Sneek had echter toefallig een geskikte plek buuten de festingwerken foor het aanleggen van su’n nieuwe begraafplaats. Dat was het terrein van het foormalige klooster Hospitaal van de Johannieters. Dit stuk groan lag op een mooie afstand van de stad, niet te dichtbij en niet te fer fut, en der lei al een goed ferbieningsdiekje naar toe, met een faart dernaast.

Het ontwerp foor de nieuwe begraafplaats werd maakt deur stadsarsjitekt Pieter Jentjes Rollema (fan o.a. ok het kantongerecht en de doopsgesinde kerk) en op maandag 3 december 1827 kon de eerste overledene der begraven wurde.


Naast de ingang fan het park werd een trapke aanleid, dat naar het water foert. Overledenen en seker meensen die aan een besmettelijke siekte overleden waren, konden su moai fia het water naar de begraafplaats bracht wurde. Toen in 1832 foor het eerst de ferskrikkelijke en seer besmettelijke siekte cholera in Nederland uutbrak, is er feul fan dat trapke gebruuk maakt. Sufeul, dat het trapke de naam “choleratrapke” kreeg.

Op de begroting fan de stad Sneek hewwe nog jaren de kosten foor het “aanstampen” en het met steen en cement befloeren fan het (Oud) Kerkhof staan, en ok die voor de aanleg fan de begraafplaats. En dat in een tied dat de ekonomie na de watersnoadramp fan 1825 der wel even over deen het om weer op te krabbelen.

Lees dit ferhaal en de reacties op Facebook