Drie Engelse toeristen in Sneek

In 1907 brenge drie Engelse toeristen een besoek aan Friesland. Toerisme kwam toen nog nauwelijks foor. De Engelsen ferwonderen sich over fan alles en toen se in Sneek waren ferwonderden de Snekers sich net su hard over die nuvere Engelsen.

De Engelsen ferbaasden sich over een ongelooflijk lange bomenweg, die sich aan beide kanten van de stad uutstrekte tot aan de horizon. Dat bleek een stuk te wezen fan de weg Lemmer-Sneek-Leeuwarden-Groningen, “een weg die wel honderd mijlen lang was en over de hele lengte bestraat was met bakstenen”. Sukke wegen hadden se seker niet in Engeland.

Later sagen se fanaf hun skip de beroemde Waterpoort recht foor hun opdoemen. De aanblik erfan fonden se “imponerend en butengewoan skilderachtig”. Fanaf de poort hadden je een mooi sicht op de drukte met boaten op het water, en heel wat meensen, “omlijsten deur de beide bogen”, stonden naar de Engelsen te kieken toen ze onder de poort deur gleden.

Boadskappen doen
Se bliezen op hun skeepstoeter, voeren deur een brug (tien senten), gingen links af en meerden midden in de stad af. Dat mut aan het Groatsaan weest hewwe.

Se fonden Sneek belangriek genoeg om sich een bitsie netsies an te kleden en gingen de stad in om boadskappen te doen: een kaart fan het merengebied, inkt, papier, enveloppen en een kurketrekker. Hoe hadden se het meest belangrieke nou fergete kennen? Dêr ferwonderden se sich self ok over J.

Terug naar de boat foar de lunch. Boanen, eardappels, eieren, kees en… krentebroad. Dat moest een provinsjale lekkernij weze, wist een van hun, maar se waren der op hun tocht deur Friesland al een bistsie uuteten. Het laatste plakje was foar de fissen.

Even de stad in
Na de lunch maakten se een kuierke deur de stad. Der waren nauwelijks ouwe gebouwen die de moeite fan het fotograferen weard waren, maar se fonnen Sneek wel een interessante stad. Fol leven en… geuren. Bij de slagers bijfoarbeeld.
In een siedstraatje sagen se een slachter die een beest foar sien winkelgevel te pronk setten had en bezig was met foorbereidingen foor de slacht. Self hadden se geen sin om der naar te kieken, se liepen gauw deur, maar der bleven heel feul Sneker kiekers staan om het spektakel met te maken.

Het Groatsaan.

Tot hun ferbazing en freugde sagen se ergens een blik “English biscuits” in een winkel en toen ze wat beter keken, stonden der nog feul meer fan die blikken. Dat was beter dan krentebroad. Se sloegen der flink wat fan in en begonnen der buten meteen fan te eten.
De ploeg kienders die hun op hun tocht deur de stad konstant folgde reageerde helemaal opgewonden. Dat was gek! Meensen die in het openbaar aan het eten waren! De Engelse lieten sich niet fan ‘e wiis brenge. Se aten rustig deur, met die roepende en wiezende kienders achter hun aan.

Onder de Linden
Se sloegen een bocht om en sagen iets biesonders, iets wat se in IJlst ok al tegenkomen waren. Een twee ferdiepingen hoge zonwering, foor een hotel. Het ging om bomen, die op een spesjale manier snoeid waren. Onderaan kale stammen, dêr boven een skerm fan boombladeren, dan weer een stuk kale stammen – dêr konden je op de ferdieping mooi tussendeur kieke – en tot slot weer een skerm fan boombladeren. Het was een hete dag en deur dit groene gerdien, kwam het hotel erachter hun koel en aanlokkelijk foor. Dus, dat werd even aansteke. ’t Was fast bij Onder de Linden.

De Martinikerk fonden se wel mooi: “de kerk met sien kleine toren”. Ondanks dat het buten loeiheet was, was het in de kerk koud. Su koud dat het wel een grafkelder leek en dat fonden se wel even lekker. Het interieur fonden se mooi:  ruum opsetten en sober. De preekstoel was een mooi stukje fakmanskap met knap maakte fersieringen.

Aan het eind fan de middag gingen se weer aan board en setten se af naar het Sneekermeer. Onderweg kochten se bij een boerderij wat melk. Heel biesonder, want – dat wisten se – de meeste melk ging  kontraktueel naar de suvelfabriek.

Gesmolten goud
De ingang naar het Sneekermeer was magnifiek, breed en recht. Se meerden af bij een klein eilandsje en binne seer onder de indruk. “De son ging onder en het hele opperflak fan het water was een see fan gesmolten goud”.

“Het was een prachtig plaatsje, dat elk moment feranderde su lang as skemering duurde. De skemer is hier butengewoan prachtig. Als de lucht helder is, werd het niet donker en rond middernacht konden we nog kleine lettertsjes leze”….. “Alleen het water, kabbelend en schitterend in de ondergaande son, rond een lieflijk klein eiland dat maar een klein stukje boven het opperflak uutkwam. Eensaamheid en stilte”.

Lees dit ferhaal en de reacties op Facebook