Restauratie 1923

Restauratie 1923

Bank naar ontwerp van Penaat

In de jaren 1923-1925 onderging het raadhuis onder leiding van de architect en interieurontwerper Willem Penaat uit Amsterdam (1875-1957) een totale restauratie. Volgens een verslag in het Sneeker Nieuwsblad van 29 juli 1925 was deze restauratie ‘een gevolg van de periodieke schoonmaakwoede, waarbij bleek dat de plafonds begonnen af te bladeren. Toen werd met de restauratie van de plafonds begonnen, vandaar kwam men tot het goudleer, toen tot de vloer, de trap, de vestibule en van daar tot de kelderruimte waar een brandvrije archiefruimte werd gesticht.’

Materiaalromantiek
In deze tijd stond de bouwkunst in het teken van de ‘materiaalromantiek’. Dat betekende dat men de eerlijke materialen wilde tonen en dat ook deed onder de bewering dat dit oorspronkelijk ook gebeurde. ‘Het Gemeentebestuur kon zich vereenigen met het nieuwe standpunt inzake dergelijke restauratie, ook door deze architect ingenomen, n.l. geen stijlcopie, maar moderne vormgeving, die met de bestaande vormen tot een nieuwe eenheid gebracht kon worden.’

Zo bracht de restauratie met zich mee dat het in zandsteen uitgevoerde beeldhouwwerk van het bordes en de ornamenten onder de vensters werd ontdaan van zijn natuursteenkleurige beschildering, die juist wel oorspronkelijk was. In de hal van het stadhuis werd de oorspronkelijke houten vloer vervangen door witte en zwarte tegels. Anderzijds liet Penaat ook de roedeverdeling van de vensters uit 1762 reconstrueren: de grote spiegelruiten maakten plaats voor de oorspronkelijke indeling in zessen.

Inwendig herkreeg het raadhuis veel van zijn oude luister. Het met vele lagen witkalk overdekte stucwerk werd uitgestoken en het houtsnijwerk werd van dikke lagen verf ontdaan. In de raadzaal werd het opnieuw geverfd in de kleuren van 1760/1763, maar het trappenhuis volgens de ideeën van de materiaalromantiek alleen maar flink in de was gezet. Het kostbare en fraaie goudleer aan de wanden, dat inmiddels achter papieren behang was weggeplakt, werd verdoekt en door kunstschilder Joh. Linse uit ‘s-Gravenhage in oude luister hersteld.

Deurknop, ontworpen door Penaat

Naar eigen ontwerp voegde Penaat allerlei onderdelen aan het interieur toe, zoals elektrische kronen, gashaarden, een balustrade en banken voor de publieke tribune en vloerbedekking.

Een paar jaar nadat de restauratie was afgesloten, arriveerden alsnog de tafels en stoelen die hij voor de raadzaal had ontworpen. Omdat het gemeentebestuur niet de financiële middelen kon opbrengen om ze meteen te betalen, had de Sneker firma Dikland even moeten wachten met ze te vervaardigen.

Lichtknop, ontworpen door Penaat

Penaat had ook aandacht voor kleinere onderdelen: voor deurkrukken, raamtrekkers en lichtschakelaars maakte hij aparte ontwerpen. Op de vloer bracht de firma La Chapelle een parketvloer aan met een ook weer naar ontwerp van Penaat versierd middenstuk dat correspondeerde met de ruimte binnen de in hoefijzervorm opgestelde tafels.

De meeste van de door Penaat ontworpen interieuronderdelen zijn heden ten dage nog in het stadhuis aanwezig.

Feestelijke heringebruikneming
Het gebouw werd op 27 juli 1925 weer in gebruik genomen met een bijeenkomst die werd bijgewoond door veel gasten, onder wie de Commissaris der Koningin in Friesland, mr. P.A.V. baron van Harinxma thoe Slooten.

Het ontbrak die dag niet aan lange toespraken, maar er was ook een diner, waarvan het menu werd gedrukt op een fraaie kaart met decoraties, ontleend aan die op het geschilderde goudleerbehang in de Grote Raadzaal.

Het verslag van de heringebruikneming van het raadhuis in de Nieuwe Sneeker Courant van 29 juli 1925 eindigt met: “Wij schreven reeds dat met deze restauratie een daad van piëteit jegens het voorgeslacht was verricht, een daad welke echter ook getuigt van het verlangen naar schoonheid, dat in het huidige geslacht weer opbloeit, na tijden waarin het grofste materialisme voerde tot daden van vandalisme, als waarvan het stadhuis vóór deze restauratie de kenteekenen droeg. Het eerherstel aan dit stadhuis verricht bewijze hun, die om der wille van het behoud van ons stadsschoon de uitvoering der plannen tot verruiming van onze verkeerswegen vreezen, dat de zorg voor dat schoon bij dit Dagelijksch Bestuur en deze Raad van Sneek in goede handen is”.

Geraadpleegde literatuur: Sytse ten Hoeve van het Fries Scheepvaart Museum , Sneek Oud en Nieuw (125) in Sneeker Nieuwsblad, 1 februari 2001. Sneeker Nieuwsblad, 29 juli 1925.

 

Foto © Simon Bleeker