Jagershuis

Jagershuis

Jagershuis

Het pand 2e Oosterkade 44 staat bekend als het Jagershuis. Met de naastgelegen brug De Laatste Stuiver en de kade van de Looxmagracht vormt het een historisch hoekje van Sneek. Jagershuis, brug en kademuur zijn rijksmonumenten.

Drs. Cornelis de Graaff uit Sneek, oud-rector van het Bogerman College, verdiepte zich in de historie van de brug, de trekvaart De Zwette en het Jagershuis.

  • 1661: De eerste brug heet Minsebrug
  • 1772: Tapperij de Minsebrug
  • 1775: Verkoop van de tapperij
  • 1780: Koemelkerij
  • 1797: Verschillende bewoners in de Laatste Stuiver
  • 1831: Vellenbloterij
  • 1876: Winkel
  • 1879: Brandstofhandel
  • 1903: Bewoning
  • 1917: Brandstofhandel
  • 1985: Twee woningen

Volgens de verhalen was het huis bij de brug de herberg waar de jagers, dat waren de mannen en jongens die op de trekpaarden zaten, hun laatste stuivers uitgaven. Maar het was ook de plek waar de reizigers, aankomend met de schuit uit Leeuwarden, de nacht doorbrachten, wanneer ze te laat waren om nog door de poort te kunnen.

 

1661: De eerste brug heet Minsebrug
In 1661 ging de eerste trekschuit door de Zwette. Buiten de Oosterpoort was het landschap leeg met hier en daar een boerderij. Het land ten noordwesten van de Leeuwarderweg, achter de huidige Oosterkade, was in gebruik als bleek. Ongeveer op de plaats waar jarenlang drogisterij De Vries was, stond als enige bebouwing de woning en werkruimte van de bleker. Deze waren eigendom (na 1685) van de familie Looxma.
De Franekervaart mondde – net als nu – uit in de stadsgracht, maar een zijtak ervan liep evenwijdig aan die gracht richting Zwette. Die kwam toen nog niet uit in de gracht: de doorsteek die de naam ‘Nieuwe Vaart’ kreeg, werd in 1661 speciaal voor de trekschepen gegraven. Aan de westelijke kant van deze vaart op de ‘Steenklip’ werden puin en grind opgeslagen voor de verharding van het jaagpad.
Om dat pad te kunnen bereiken was een brug over de trekvaart nodig; ook die kwam in 1661 tot stand, onder de naam ‘Minsebrug’. Wie deze ‘Minse’ was, blijkt niet uit de stukken. Het werd wel de naam die nog in 1845 officieel werd gebruikt. De benaming ‘De Laatste Stuiver’ werd dus niet meteen voor de brug gebruikt.
De paardenstal van de trekschippers stond op het Bolwerk, ongeveer op de plek van de Vismarkt nu. Aanvankelijk liepen de paarden via de Noorderpoort buiten langs de gracht, over het toen reeds bestaande hoge bruggetje naar de Minsebrug. De schuiten voeren van hun ligplaats in de Pol, door de Leeuwarderpijp (een kleine waterpoort voor de Pol) naar diezelfde plaats. De poortwachter van de Noorderpoort moest zorgen dat hij ’s morgens om vier uur present was voor de jagers en paarden van de eerste schuit. Spoedig werd vlakbij de stal een brug gebouwd over de gracht, ongeveer op de plaats van de Koninginnebrug, waardoor de route werd bekort.
Op de Pol was ook een herberg aangewezen als veerhuis; daar werd de post bewaard en konden reizigers wachten. Een eeuw lang veranderde er niets in deze situatie.

1772: Tapperij bij de Minsebrug
In 1772 kreeg timmerman Gosse Outgers van het stadsbestuur toestemming om “een stukje grond bij de trekweg bij de Minsebrug op de kant van de gracht” te bebouwen. Hij moest jaarlijks drie gulden grondrente betalen.Gosse Outgers was getrouwd met Antje Idses, dochter van Ids Baukes, herbergier in ‘De Zon’, even buiten de Noorderpoort. Gosse had zelf ook in die herberg gewerkt vóór hij in de Wijde Noorderhorne een royaal huis kocht. Blijkbaar zag hij in 1772 brood in een ander bedrijf: dat van tapper of herbergier.
Het in 1772 gebouwde huis leverde hem een schuld op van 991 guldens aan Baltis Welma en Jakob Feenstra, leveranciers van hout, steen en kalk. Ondanks de verkoop van zijn woning in de Wijde Noorderhorne voor 620 goudguldens en 14 stuivers had Gosse ook nog een schuld van honderd gulden aan Sybrand van Hateren. In 1774 had Taeke Halma, meester glasmaker, nog 33 gulden en 12 stuivers tegoed voor geleverd glas aan het nieuwe huis en de stal.
Die laatste toevoeging kan erop wijzen dat Gosse ruimte had voor koeien of paarden. Zelf stond hij niet te boek als eigenaar van vee, maar misschien hebben schippers die bij tegenwind of windstilte incidenteel gebruik maakten van een paard, hun dieren bij hem gestald. Het is niet duidelijk waarom zijn zaak geen succes werd. Eén oorzaak zou kunnen zijn de hoge beginlast, maar ook de concurrentie speelde misschien een rol: in 1774 ging een in 1771 gebouwd pand (timmerwerkplaats en houtopslag) in andere handen over. Het was gelegen naast de Oosterpoort op de plaats van het Ouwe Vat en stond dus dichtbij de herberg bij de Minsebrug. De nieuwe eigenaar maakte van deze timmerwerkplaats ook een herberg, die nu al meer dan 200 jaar zijn horecafunctie heeft behouden.

1775: Verkoop van de tapperij
In 1775 verkochten de schuldeisers Welma en Feenstra het huis. De tekst in de koopbrief spreekt van: “Een hechte, sterke welbetimmerde huizinge, schuur en erf, staande en gelegen buiten de Oosterpoort aan de Trekweg, bezwaard met drie gulden eeuwige rente, aanstonds te aanvaarden, laatst bewoond door Gosse Outgers en echtgenote hebbende deze huizinge een allerschoonst en vermakelijkst uitzicht langs de stadwal, trekvaart en stadsgracht én daarom zeer geschikt tot een uitvlucht voor de burgers en ingezetenen van Sneek zijnde voor dezen reeds in dit huis de tap geexcerceerd.”Het huis werd verkocht voor 900 gulden aan Wisse Wybes en Sytske Pieters echtelieden onder Loënga waar Wisse tolgaarder was op het Sneker Tolhuis aan de trekvaart. Wisse vroeg een tapvergunning aan, maar tapper Wisse Wybes genoot niet lang van zijn woning.

1780: Koemelkerij
In maart 1780 verkocht zijn weduwe het huis aan Antje Reidzes, weduwe van Fokke Douwes uit Tirns. De tekst van de koopakte luidt: “een huis c.a. aan de grachtswal bij Minsebrugge, de ‘Stads Uitvlugt’ genaamd.”
Antje Reidzes was boerin, ze kwam niet voor op de lijst van tappers, herbergiers. Met haar zonen Reidse en Douwe had ze een koemelkerij. In 1784 ging ze nog op avontuur: ze trouwde met een boer in Idsega, maar na een jaar was ze al weer terug in Sneek. Haar man bleef in Idsega. Daarna had ze verschillende kostgangers, waaronder het gezin van haar zoon Reidse met zijn kleine veestapel.

1797: Verschillende bewoners (!) in De Laatste Stuiver
In 1797 verkochten Antje en haar zonen het huis voor 800 gulden aan Pieter Thomas Hofstra, in de akte aangeduid als looier, maar meestal vellenbloter genaamd. In deze verkoopakte wordt voor het eerst over de Laatste Stuiver gesproken. Daarmee werd niet de brug bedoeld, maar het huis.Wie er in deze tijd woonden is niet met zekerheid te zeggen. Pieter Hofstra woonde op het Kleinzand. Hij gebruikte de schuur en de zolders. Het huis werd, meestal in twee delen, verhuurd.
Rond 1800 was een zekere Freerk Douwes bewoner, met zijn zoon Fokke Freerks en diens gezin. In de jaren daarna werden vader en zoon voor herhaalde diefstallen in Sneek en omgeving veroordeeld door het Hof van Friesland. Vader Freerk werd uit Friesland verbannen en Fokke belandde in de gevangenis van Leeuwarden waar hij in 1811 overleed.
In de lijsten met aangenomen familienamen van 1812 staan op de eerste bladzijden de namen Gerben Pieter Vlietstra (vellenbloter), Fokke Jans de Haas (vellenbloter), Jan Albert Zeemstra (zeemtouwer) en Redmer Jouwes (looiersgezel). Gelet op de volgorde in dit systeem zouden hier bewoners van het huis bij kunnen zijn.
Wanneer dit gebied later Wijk 1 heet, begint hier de nummering. In 1830 gaf de eerste volkstelling als bewoners van Wijk 1 no 4: Jacob Klein, een drukkersknecht met zijn gezin, Klaas Kladder, een arbeider gehuwd, en Elizabeth Vlink, naaister met haar zoon, een zeemtouwersknecht.

1831: Vellenbloterij
De volgende koopacte (1831) geeft meer informatie. Dan verkopen Pieter Thomas Hofstra sr. en zijn kleinzoon Pieter Thomas jr. “een sedert weinige jaren bijna geheel nieuw gebouwd huis en vellenbloterij van ouds de Laatste Stuiver genaamd bestaande uit een ruime werkplaats, waarin een vellenbloterij is gedreven met een droog en twee wolzolders en twee woningen verhuurd aan Klaas Kladder en Jan van Megersen.”
Koper was Atte Brouwer, koopman en herbergier te Sneek, die er 1075,25 gulden voor gaf. Hij was er via het strijkgeld aan blijven hangen. In 1832 verkocht hij het pand aan Jan Droge uit Sneek voor 1006,25 gulden
In 1832 vond ook de registratie plaats in het kadaster. Daarin werd het huis in drie percelen beschreven, namelijk: de werkplaats, een woonhuis en een afgebroken jachthuis.
Jan Droge was vellenbloter en wolverwerker. Toen in 1855 boedelscheiding plaatsvond tussen hem en zijn kinderen bezat hij ook een spinnerij op het Kleinzand, huizen in de stad en stukken land. In 1847 had hij nog een stukje wal bij De Laatste Stuiver gekocht om daarop een loods te bouwen ten behoeve van zijn blauwververij.
In 1856 kreeg hij toestemming om op de wal van de gracht enkele bomen te rooien zodat hij daar de vellen kon drogen voor ‘zijn fabriek staande aan de Laatste Stuiver’. Dit wekt de indruk dat de hele hoek zo heette. Een verworven bleekje mocht niet bebouwd worden.
In 1858 overleed Jan Droge; zijn kinderen verdeelden zijn bezit. Zoon Jakob zette het bedrijf voort. Hij was al eigenaar van de ‘Laatste Stuiver’ en van een door hem bewoond huis op Leeuwenburg. Naast de ‘fabriek’ woonde toen volgens het bevolkingsregister de wever Jonk met een groot gezin.

1876: Winkel
Na de dood van Jakob verkochten in 1876 diens erven het vastgoed. Daaronder was ‘Een ruim gebouw gebezigd voor vellenbloterij, met woonkamer groot erf staande en gelegen zeer geschikt aan de stadsgracht en de Leeuwarder Trekvaart. Nota: de kippenloop behoort de huurder Jonk. De koper zal moeten overnemen: de praam, de hangers, kruiwagen, slede, schammels, bloot- en zouttafel, scharen, woldroogvlagen, weegschaal enz.. De grondrente bedraagt zes gulden en een halve cent’. De aanwinsten in 1847 en 1856 zorgden voor de hogere grondrente. Jonk had recht van huur tot 12 mei 1877.
De koper in 1876 was Auke Jans Ham(m)ersma, koopman te Sneek, voor 3570 gulden. Hij brengt ons ook weer bij de brug.

In 1840 was er na veel discussie in de raad een nieuwe vaste brug gebouwd ‘bij de Laatste Stuiver’ voor de trekschippers en de passanten op het voetpad tussen de buurten bij de Ooster- en de Noorderpoort. De brug had een doorvaarthoogte van 3:10 meter. Snel bleek dat dit onvoldoende was voor de toenemende scheepvaart en de grotere schepen.
In 1864 werd een houten draaibrug gebouwd met een doorvaartbreedte van 5,5 meter. Tegelijkertijd werd de nu nog bestaande brugwachterswoning aan de noordwestzijde van de brug gebouwd. Bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken werd gevraagd bruggeld te mogen heffen. Na akkoord werden het draaien van de brug en de verhuur van de woning in één post verpacht. Uilke Boelens werd in 1864 voor 233 gulden per jaar de eerste pachter en dus brugwachter.
Het tarief was in die tijd drie cent per schip tot twintig ton, oplopend naar twintig cent voor meer dan zestig ton. Voor een knappe boterham moesten er dus nogal wat schepen door de brug. Schepen die minder dan 3.10 hoog waren konden ook nog vrij doorvaren. Maar gelet op de belangstelling voor de pacht, kon het uit.In 1874 was Hamersma, boer te Uitwellingerga, de hoogste inschrijver. Hij verhuisde met zijn gezin naar de brugwachterswoning.

Al na twee jaar, in 1876, koos Hamersma voor een nieuw bestaan. Hij kocht ‘de Laatste Stuiver’, opende een winkel in kruidenierswaren, gereedschappen, en brandstof en mikte wat klanten betreft waarschijnlijk ook op de passerende schepen.

1879: Brandstofhandel
De geschiedenis van 1775 herhaalt zich. De zaak liep niet en Hamersma werd in 1879 door de rechtbank failliet verklaard. Uit de resterende voorraad en zijn schulden bleek nog iets van de handel: sigaren, jenever, borstels, ijzerwaren, spek en meel. Na de verkoping van de eenvoudige inventaris, het huis en ook nog het oude huis in Uitwellingerga bleef een flink tekort over. Auke vertrok berooid met zijn gezin naar Abbega.
Hendrik van der Molen, een Groninger schipper, werd de nieuwe eigenaar van ‘de Laatste Stuiver’. Hij kocht het pand voor zijn vader Willem, ook schipper, die in Sneek wilde gaan wonen. Op 8 augustus 1879 werd Van der Molen eigenaar voor 3047 gulden. Willem van der Molen en echtgenote betrokken het huis, samen met zoon Hendrik en diens gezin. Ze stonden beiden te boek als kooplieden. Wat ze precies verhandelden is mij onbekend. Later bleek Hendrik brandstofhandelaar te zijn. De turf werd opgeslagen in de grote schuur, naast de woning.
Een poging in 1885 de in 1856 door Jan Droge gekochte grond ook nog te bebouwen met een schuur stuitte op bezwaren van uitzicht. Blijkbaar is de bebouwing aan de noordkant van de straat dan al aanzienlijk genoeg om dit argument te kunnen gebruiken.
De familie was welvarend. Toen na het overlijden van Willem in 1899 de boedel werd gescheiden, waren er naast de vaste goederen diverse vorderingen, vooral voor enkele ‘Gemeenten van Gedoopte Christenen’ (onder andere in Heeg en Sneek) en ook ten laste van de Vereniging Selfhelp te Sneek. Hendrik kocht het huis met de verplichting zijn moeder in haar eigen woning te laten wonen tot haar dood. Ze overleed in 1903.

 

1903: Bewoning
Daarna kwam weer een periode van huurders, eerst voor één, dan voor twee woningen. Hendrik van der Molen verhuisde zelf naar de Stationsstraat en later naar Driebergen en Utrecht. Pieter Langius, een arbeider, Jelke Werkman en de kleermaker Jan Wilbers, met hun gezinnen woonden er tot de verkoop in 1917.

Inmiddels was in 1887 de draaibrug vervangen door een ijzeren ophaalbrug, die beter aan de eisen van het toenemende water- en landverkeer voldeed. In het verslag van de gunning werd voor het eerst gesproken van ‘Laatste Stuiverbrug’.

1917: Brandstofhandel
De koper van het huis in 1917 was Jelte Ligthart, turfschipper en brandstofhandelaar te Sneek. Hij betaalde aan Hendrik van der Molen 7.056 gulden. De familie Ligthart woonde en werkte er tot 1951.
In 1932 wenste de gemeente het pand aan te kopen. Men wilde het afbreken om de toegang tot de Zwette te kunnen verruimen. Aan de provincie werd subsidie gevraagd, maar daar had men andere prioriteiten.
Na de Tweede Wereldoorlog werd opnieuw de provincie benaderd maar daar zag men, gelet op de afnemende scheepvaart, het nut er niet meer van in.

Het verkeerscirculatieplan, dat de Oosterkade route om de binnenstad moest opwaarderen, bracht nieuwe besprekingen op gang. Tenslotte kocht de gemeente het pand voor 13.000 gulden. ‘Gelukkig’ was er toen geen geld voor verbreding van de straat en de bouw van een nieuwe brede brug.
Het huis werd verhuurd aan P. Douma, de opslagruimte aan verwarmingsbedrijf Feenstra.
Inmiddels was het verkeersplan in een gemeentelijke bureaulade verdwenen en werd over restauratie van het huis gesproken.
Na 1956 gebruikte Gemeentewerken de opslagruimte zelf. Directeur Gemeentewerken, S. Jellema, diende in 1982 een restauratieplan in. De restauratie werd in 1985 uitgevoerd.

 1985: Twee woningen
Even was er nog sprake van een horecafunctie, maar tenslotte werd het hele gebouw gebruikt om er twee woningen van te maken.
Dat het huis van 1772 is, staat op grond van alle bronnen wel vast. In de speciekohieren van dat jaar wordt steeds gesproken over bouw op een ‘koud steed’, een voorheen onbebouwde plaats.
De naam Jagershuis werd nooit officieel gebruikt. Over ‘De Laatste Stuiver’ wordt sinds 1797 gesproken. Verband met de tapperij is aannemelijk, hoewel het huis die functie maar heel kort had (1772 tot 1780).
Een raadsel vormen de muurankers. Ze tonen met elkaar het jaar 1712, maar ze zijn volgens architect Van der Molen, drijvende kracht achter de restauratie en één van de bewoners, van het eerste kwart van deze eeuw. Vermoedelijk zijn ze toen vervaardigd bij een restauratie van het pand en heeft de eigenaar op basis van overlevering het jaar 1712 laten smeden.
De brug heeft de naam van het huis overgenomen. De Minsebrug is verleden tijd.

Foto; Simon Bleeker